Ga naar de inhoud

Rakvere. De naam al, als een steen die over een tegelvloer schuurt. Gelegen in die Estse, Baltische leegte, een oord waar het licht in de winter een metaforische zwaarte bezit die de ziel teistert. Het is geen schoonheid die zich opdringt, neen, dit is een esthetiek van de harde feiten, van het Oost-Europese bestaan dat geen suikerzoete illusies duldt. De ruïne van het Ordensburcht, die op de heuvel ligt als een gebroken gebit, is het nucleaire centrum van de geschiedenis hier. Een plek waar men heeft gevochten, geleden, en uiteindelijk, verloren. Ge staat daar en ge voelt de kou van het ijzer, de weerbarstigheid van de steen, de onontkoombaarheid van het verval. De stad zelf, een mengeling van Sovjet-residuen en halfhartige pogingen tot moderniteit, is een palimpsest van het leed. De mensen, ze hebben een soort stoïcijnse, onverstoorbare blik, de blik van de overlever die de Grote Geschiedenis heeft zien passeren. Ge zoekt niet naar de charme, ge zoekt naar de waarheid van de plek. En in Rakvere is die waarheid rauw, onversneden. Het is de echo van de Grote Oorlog, de Grote Idealistische Fiasco, die hier nog in de kieren van de gevels hangt. Een noodzakelijke, pijnlijke, en daardoor: sublieme confrontatie met de geschiedenis.