Ga naar de inhoud

Azerbeidjan. Baku. De naam klinkt als een tik op een metalen plaat. Een stad van het uiterste, ingeklemd tussen de Kaspische Zee en de Kaukasus. Dit is de grens, de plek waar Europa en Azië elkaar in de ogen kijken met een mengeling van wantrouwen en verlangen. Ge moet de Oude Stad zien, de Icheri Sheher, ommuurd, een testament van de zwaarte van de geschiedenis, met de Maagdentoren die als een vinger naar de hemel wijst. En dan, de Vlammentorens, de hypermoderne architectuur van glas en staal die de nieuwe rijkdom, het oliekapitaal, schreeuwt. Het is een stad van maskers. De geur van het zout van de Kaspische Zee vermengd met de geur van benzine en oud steen. De mensen, ze dragen de complexiteit van hun afkomst in hun ogen. Ze zijn Oosters in hun gastvrijheid, maar Westers in hun ambitie. Ge zoekt hier niet naar de eenvoud, ge zoekt naar de verwarring. Naar de spanning tussen het vuur van het verleden en het glimmende, koude staal van de toekomst. Baku is een gedicht over de botsing der werelden.