Een weekend naar Parijs is een oefening in het waarnemen van onzichtbare grenzen tussen wat was en wat nog moet komen. Je arriveert in een stad die niet louter een verzameling straten is, maar een… Een weekend naar Parijs als pelgrimstocht door de tijd
Parijs. Goed, laten we de mythe met de realiteit confronteren, zoals een intellectualist van mijn kaliber betaamt. Parijs, La Ville-Lumière, de stad van de liefde, van de filosofie en de flâneur. Klinkt goed, nietwaar? Maar de waarheid is complexer, en, zoals altijd, minder heroïsch. Het is een stad die permanent lijdt aan haar eigen mythe. Je loopt langs de Seine, en je ziet die toeristen die met een haast religieuze ernst proberen te voelen wat ze moeten voelen: de romantiek, de passie, de intellectuele opwinding. Lachwekkend. De Eiffeltoren is een prachtig, maar volstrekt banaal stuk ijzer. Het Louvre is een bewaarplaats van gestolen glorie. Maar het is de tussentijd die telt. De kleine, alledaagse confrontaties. De ober in het café die je met een superieure blik serveert, de geur van sterke tabak en pain au chocolat op een regenachtige ochtend. Dat is de ware filosofie van Parijs: de erkenning van de menselijke pretentie en de acceptatie van de kleine genoegens. We komen hier op zoek naar onze eigen, verloren roman, maar we vinden slechts een overvolle metro en een te dure espresso. En dat is de clou. Het is de confrontatie met de banaliteit van het bestaan. De echte liefde is niet de kus onder de Eiffeltoren, maar de stilte als je alleen in je hotelkamer bent en het lawaai van de stad even buiten sluit. Parijs is de perfecte spiegel om in te kijken. En de spiegel is, vrees ik, altijd eerlijk.