Ga naar de inhoud

Slovenië. Ze noemen het graag het ‘groene hart van Europa’, alsof een orgaan voldoende is om de complexiteit van een natie te vatten. Ljubljana, de hoofdstad. Een naam die zacht klinkt, bijna troostend, maar achter die vriendelijke façades schuilt, uiteraard, de universele angst van de mens die vreest te weinig te zijn. De rivier, de Ljubljanica, kabbelt door de stad als een metafoor voor het onvermijdelijke verstrijken van de tijd. U loopt over de Drie Bruggen van Plečnik, een architect die de stad heeft willen organiseren, heeft willen structureren, alsof schoonheid de chaos kan bedwingen. Het is de illusie van controle, nietwaar? U ziet de markten, de mensen die hun groenten kopen, hun koffie drinken, en u denkt: ze zijn gelukkig. Maar geluk is een constructie, een verhaal dat men zichzelf vertelt om de existentiële leegte te verbergen. En de Sloveense bergen? Ze zijn prachtig, ja. Maar schoonheid is een vijand. Het herinnert u aan uw eigen vergankelijkheid. Reizen is de ultieme daad van escapisme, een poging om uw eigen onbeduidendheid te negeren. Ljubljana is slechts de locatie voor uw innerlijke drama.